Een IQ van 100 is op elke leeftijd het gemiddelde van leeftijdsgenoten
Een IQ-score uit een intelligentieonderzoek zoals de WAIS geeft je positie binnen je eigen leeftijdsgroep weer. Een score van 100 ligt zowel op 20- als op 70-jarige leeftijd rond het gemiddelde van leeftijdsgenoten.
In de WAIS-IV-NL worden ruwe subtestscores met leeftijdsnormen omgezet in geschaalde scores. Daaruit worden de indexscores en het totaal IQ (TIQ) berekend. Dezelfde ruwe prestatie kan daardoor in verschillende leeftijdsgroepen een andere geschaalde score opleveren.
Dezelfde leeftijdsgenormeerde IQ-score betekent dus niet dat een jongere en een oudere volwassene evenveel vragen goed beantwoordden of evenveel werk voltooiden. IQ geeft niet de taakprestatie op zichzelf weer, maar de positie ten opzichte van leeftijdsgenoten. Meer over de verhouding tussen score en rangpositie staat bij de betekenis van IQ-scores.
Cognitieve verandering verloopt per vaardigheid anders
Intelligentie neemt bij het ouder worden niet als één geheel en in dezelfde verhouding af. De balans binnen het cognitieve profiel verandert. In een onderzoek met ongeveer dertig cognitieve taken lagen de beste gemiddelde prestaties, afhankelijk van de taak, tussen de late tienerjaren en een leeftijd van rond de zestig. Er bestaat dus niet één piekleeftijd voor alle intelligentie.
| Vaardigheid | Periode waarin kenmerkende taken gemiddeld pieken | Gemiddeld verloop daarna |
|---|---|---|
| Verwerkingssnelheid (Gs) | Late tienerjaren tot begin twintig | Neemt vaak al vroeg in de volwassenheid af |
| Fluïde redeneren (Gf) | 20–29 jaar | Het vermogen om nieuwe regels en relaties te ontdekken neemt geleidelijk af |
| Visueel-ruimtelijke verwerking (Gv) | 20–29 jaar | Taken met rotatie, ruimtelijke relaties en samenstellen worden gemiddeld moeilijker |
| Werkgeheugen (Gwm) | Eind twintig tot begin dertig | Vooral taken waarin vasthouden samengaat met bewerken of bijwerken nemen af |
| Gekristalliseerde intelligentie (Gc) | 50–69 jaar | Groeit vaak tot de middelbare of latere volwassenheid en neemt daarna af |
Deze leeftijdsperioden zijn geen vaste pieken die voor iedere persoon of taak gelden, maar perioden die bij kenmerkende taken zijn gevonden.
Snelheid, nieuw redeneren en informatie bewerken veranderen relatief vroeg
Bij verwerkingssnelheid (Gs) worden veranderingen eerder zichtbaar in taken waarbij je uit meerdere opties kiest, vormen vergelijkt of symbolen koppelt dan in een eenvoudige reactie op één signaal. Onder een korte tijdslimiet kun je de opdracht nog steeds goed begrijpen, maar gemiddeld minder items voltooien.
Fluïde redeneren (Gf) neemt na de jongvolwassenheid gemiddeld geleidelijk af. Dat wordt vooral zichtbaar bij het ontdekken van een regel in een nieuw probleem of het tegelijk vergelijken van meerdere voorwaarden.
Bij werkgeheugen (Gwm) veranderen taken waarin je informatie moet omkeren, ordenen of bijwerken gemiddeld eerder dan taken waarin je die alleen kort vasthoudt. Ook bij visueel-ruimtelijke verwerking (Gv) worden verschillen duidelijker wanneer je een vorm in gedachten draait, uit onderdelen een geheel samenstelt of meerdere ruimtelijke relaties tegelijk verwerkt.
Woordenschat en kennis groeien vaak tot middelbare of latere volwassenheid
Gekristalliseerde intelligentie gebruikt woordenschat, algemene kennis en begrippen die door leren en ervaring zijn opgebouwd. Omdat die kennis ook tijdens de volwassenheid verder kan groeien, volgt Gc een ander leeftijdsverloop dan verwerkingssnelheid en fluïde redeneren.
In een onderzoek naar woordenschatprestaties van mensen tussen 18 en 89 jaar stegen meerdere woordenschattaken gemiddeld tot ongeveer 64 à 66 jaar en volgde daarna een daling. Ook gekristalliseerde vaardigheden als geheel groeien gemiddeld tot rond de zestig.
Daardoor blijven woordenschat en kennis in een gemiddeld profiel op middelbare en latere leeftijd relatief beter behouden dan verwerkingssnelheid en het vermogen om volledig nieuwe problemen op te lossen. Een verandering in verwerkingssnelheid staat niet gelijk aan een daling van alle intelligentie: kijk zowel naar de positie binnen de eigen leeftijdsgroep als naar de balans tussen vaardigheden.
In de Japanse versie van BrainTypeIQ worden de gevonden leeftijdstrends voor Gf, Gv, Gwm en Gs in de scores verwerkt. Voor Nederlandstalige resultaten gebruikt BrainTypeIQ voorlopig een daarop afgestemd scoringsmodel en bouwt het een eigen gegevensbasis op.