De g-factor is wat verschillende intelligentietaken gemeen hebben
Woordenschat, rekenen, redeneren met figuren en geheugen vragen om verschillende soorten kennis en verwerking. Toch blijkt bij grote groepen dat iemand die op de ene taak hoog scoort, vaak ook op andere cognitieve taken hoger scoort. Het gemeenschappelijke deel dat in uiteenlopende cognitieve prestaties terugkomt, heet de algemene intelligentiefactor, oftewel de g-factor.
Dit patroon van positieve correlaties tussen taken heet de positieve manifold. Sinds Spearman in zijn onderzoek uit 1904 een algemene factor voorstelde, is g een centraal begrip om algemene prestaties in intelligentietests te verklaren.
De g-factor wordt uit positieve correlaties geschat
De g-factor is geen score die je rechtstreeks met één opgave meet. Het is een latente variabele die wordt geschat uit de onderlinge samenhang tussen meerdere taken voor woordkennis, redeneren, geheugen, snelheid en andere cognitieve vaardigheden.
Een factoranalyse onderscheidt de variatie die veel taken met elkaar delen van de variatie die vooral bij één taak hoort. Een woordenschattaak bevat bijvoorbeeld specifieke woordkennis en een taak voor symbolen zoeken vraagt specifiek om visuele zoeksnelheid. De variatie die zulke taken in hun scores met elkaar delen, wordt samengevat in g.
De positieve manifold is in verschillende culturen en tests gevonden. Er is nog discussie over de vraag of één algemeen vermogen deze samenhang veroorzaakt, of dat hij ontstaat uit de wisselwerking tussen meerdere vaardigheden en overlappende cognitieve processen.
Het verschil tussen de g-factor, IQ en FSIQ
| Begrip | Wat het weergeeft |
|---|---|
| g-factor | Een latente algemene factor die uit de correlaties tussen meerdere cognitieve taken wordt geschat |
| IQ | Een standaardscore die testprestaties binnen een normgroep van dezelfde leeftijd plaatst |
| FSIQ | Het totaal IQ dat uit de belangrijkste subtests van een intelligentietest wordt samengesteld |
FSIQ weerspiegelt de g-factor sterk omdat de score meerdere inhoudelijk verschillende subtests samenbrengt. Toch zijn beide niet hetzelfde. FSIQ is een waargenomen testscore die volgt uit de vaste samenstelling en omzettingsregels van een bepaalde test; g is de latente variabele waarmee de onderlinge relaties tussen die scores worden verklaard. In de uitleg van FSIQ staat hoe zo'n totaalscore wordt berekend en gelezen.
De g-lading beschrijft hoe sterk een taak met g samenhangt
De g-lading geeft aan hoe sterk de prestaties op een subtest met de g-factor samenhangen. In een eenvoudig model met één factor betekent een g-lading van 0,70 dat het kwadraat daarvan, 0,49, overeenkomt met 49% gedeelde variantie tussen de subtestscore en g.
In een analyse van de WAIS-IV hadden onder meer Rekenen en Woordenschat een relatief hoge g-lading, terwijl taken voor verwerkingssnelheid lager uitkwamen. De g-lading zegt niet hoe moeilijk een opgave is, maar in hoeverre een taak weerspiegelt wat de hele groep cognitieve taken gemeen heeft. De waarde kan bij dezelfde subtest veranderen door de onderzochte populatie, de andere subtests in de analyse en het gebruikte statistische model.
Een intelligentietest combineert daarom inhoudelijk verschillende taken. Zo hangt het algemene resultaat niet alleen af van één kennisgebied of taakvorm en kan het de gemeenschappelijke cognitieve component beter weergeven.
De g-factor hangt sterk samen met school en beroepsopleiding
De g-factor hangt vooral samen met het leren en verwerven van nieuwe kennis en vaardigheden. Samengevoegde onderzoeksresultaten laten zien dat de sterkte van het verband per soort uitkomst verschilt.
| Uitkomst | Gecorrigeerde correlatie |
|---|---|
| Schoolprestaties | 0,54 |
| Prestaties tijdens een beroepsopleiding | 0,35–0,49 |
| Hedendaagse werkprestaties | 0,18–0,22 |
g voorspelt leren op school en tijdens een opleiding goed, maar de samenhang met hedendaagse werkprestaties is kleiner dan lang werd aangenomen. De nieuwste gegevens over werkprestaties bieden evenmin steun voor de oudere aanname dat g bij complexer werk meer voorspellende waarde heeft. Hoe je het algemene niveau van IQ met resultaten in het dagelijks leven verbindt, staat in waarom je IQ meet.
De g-factor en brede vaardigheden in de CHC-theorie liggen op verschillende niveaus
De CHC-theorie ordent intelligentie in algemene, brede en specifieke vaardigheden. In de veelgebruikte indeling die op Carroll voortbouwt staat de g-factor bovenaan, met brede vaardigheden zoals Gc, Gf, Gv, Gwm en Gs daaronder. Horn, een van de grondleggers van CHC, plaatste in zijn eigen model geen overkoepelende g-factor boven de brede vaardigheden.
De g-factor beschrijft wat cognitieve taken in het algemeen gemeen hebben; de brede vaardigheden laten zien bij welk soort taken iemand gemakkelijker tot zijn recht komt. Mensen met een vergelijkbaar totaal IQ kunnen daardoor toch verschillen in verbaal begrip, redeneren, visueel-ruimtelijke verwerking, werkgeheugen en verwerkingssnelheid. Hoe je die combinatie in concrete situaties gebruikt, staat in de basis van een cognitief profiel.
BrainTypeIQ toont op basis van negen onderdelen zowel totaal IQ als het profiel van vijf cognitieve domeinen.