Kenmerken die vaak zichtbaar worden bij een lagere PRI
Bij een lagere score op de Perceptueel Redeneren Index (PRI) kan de belasting grofweg op twee manieren zichtbaar worden: bij het verwerken van vormen en posities en bij het ontdekken van regels in figuren.
- Als een vorm wordt gedraaid, kost het meer tijd om te herkennen dat het nog dezelfde vorm is
- Het is lastiger om in gedachten te zien welk geheel losse onderdelen samen vormen
- Tijdens het vergelijken van een voorbeeld met de tussenstand raak je de koppeling tussen onderdelen kwijt
- Een regel die niet in woorden is uitgelegd, is moeilijker uit meerdere figuren af te leiden
- Bij meerdere mogelijke regels wordt onduidelijk welke mogelijkheid je al hebt gecontroleerd
De belasting zit niet in het kijken naar een figuur op zichzelf, maar in het in gedachten vasthouden en veranderen van richtingen, posities, delen en gehelen. Ook het onderzoeken van mogelijke regels kan extra belasting geven. Dezelfde taak kan beter verlopen wanneer je vormen in dezelfde stand legt, relaties benoemt en tussenstanden noteert of echte onderdelen verplaatst.
Maak bij een lagere PRI onderscheid tussen de verwerking van vormen en posities enerzijds en het ontdekken van regels anderzijds
De Perceptueel Redeneren Index (PRI) van de WAIS-IV-NL wordt opgebouwd uit de drie kernsubtests Blokpatronen, Matrix Redeneren en Figuur Samenstellen. Die taken vragen niet allemaal dezelfde verwerking.
- Belasting bij vormen en posities: bij Blokpatronen en Figuur Samenstellen ontleed je vormen, verander je richting en positie en bouw je een geheel uit delen op.
- Belasting bij het ontdekken van regels: bij Matrix Redeneren vergelijk je figuren en leid je daaruit een relatie of regel af om het antwoord te kiezen.
De eerste verwerking doet sterk een beroep op visueel-ruimtelijke verwerking (Gv), de tweede op fluïde redeneren (Gf). Lees een lagere PRI daarom niet als één algemene non-verbale vaardigheid, maar kijk of de belasting vooral opliep bij vormen en posities of bij het ontdekken van regels.
Dit betekent niet dat je zelf twee nieuwe indexscores uit een WAIS-IV-NL-resultaat berekent. Je gebruikt de verschillen tussen de subtests om het soort belasting en een passende aanpassing te herkennen. De Amerikaanse WAIS-5 verdeelt deze twee groepen over de Visual Spatial Index (VSI) en Fluid Reasoning Index (FRI). De WAIS-IV-NL rapporteert voorlopig nog PRI; Pearson verwacht de WAIS-5-NL in 2027. Meer over het verschil tussen versies staat bij WAIS-IV en WAIS-5.
Met BrainTypeIQ kun je fluïde redeneren en visueel-ruimtelijke verwerking als afzonderlijke domeinen bekijken. Zo kun je bepalen bij welk soort taak de relatieve belasting groter is en welke aanpassing je eerst probeert.
Maak relaties, tussenstanden en handelingen zichtbaar
De gemeenschappelijke aanpak is om relaties, tussenstanden en de volgorde van handelingen niet alleen in gedachten te verwerken, maar zichtbaar te maken met woorden, stappen, echte voorwerpen of aantekeningen.
| Soort belasting | Situatie in werk of studie | Manier om de belasting te verlagen |
|---|---|---|
| Richting en positie | Een technische tekening verbinden met het echte voorwerp, of een uitslag met een figuur vanuit een andere hoek | Draai het papier of voorwerp en markeer de referentierichting en links, rechts, boven en onder met pijlen |
| Deel en geheel | Iets opbouwen vanuit een eindtekening of een doorsnede voorstellen | Leg onderdelen voorlopig neer en houd de omtrek van het geheel en iedere tussenstand zichtbaar |
| Vergelijken met een voorbeeld | Een voorbeeld en de huidige toestand herhaald naast elkaar leggen | Zet beide direct naast elkaar en geef overeenkomstige plaatsen hetzelfde nummer |
| Impliciete regel | Een gemeenschappelijke regel in meerdere figuren of grafieken zoeken | Schrijf mogelijke regels kort op, controleer ze één voor één en streep af wat niet klopt |
| Meerdere handelingen | Een montage of visuele procedure over meerdere stappen uitvoeren | Noteer één handeling per regel en markeer iedere afgeronde stap |
Gebruik bij taalondersteuning geen lange extra uitleg, maar noteer precies de benodigde relatie of handeling, zoals ‘linkerrand’, ‘90 graden met de klok mee’, ‘rood boven’ of ‘A en B zijn even lang’.
Probeer dezelfde taak met benoemde relaties, genummerde stappen, echte voorwerpen of een schets. Houd de werkwijze aan waarmee je nauwkeuriger en consistenter werkt.